Kisangani vzw

Onze mond viel open

Februari 2004

Toen Magda en ik tijdens de jaren tachtig in Kisangani verbleven werden we bevriend met de familie Gevaerts. Hugo, deken van de Faculteit Wetenschappen, toonde ons een stukje primair woud dat aan de universiteit was toegewezen. Studenten in de biologie moesten weten dat het Afrikaanse oerwoud bedreigd wordt. Daar moet wat aan gedaan worden, zei Hugo. Wat verder waren er vijvers, aangelegd tijdens de Belgische kolonisatie, om er vis te kweken. Alles was brousse geworden en de vijvers lagen er verwaarloosd bij. Men stelde vast dat de bevolking steeds toenam en dat de aanvoer van vis uit de Kongostroom onvoldoende bleek of hij moest van 100 km ver stroomafwaarts komen en dat was te duur. Daar moet ook iets aan gedaan worden, zei Hugo weer. De mensen zullen zelf vis moeten kweken. Maar dat ligt niet in hun traditie. Hugo had een plan met de faculteit wetenschappen. Het was niet overhaast. We hebben het weten ontstaan en zien groeien, traag maar zeker. Vele studenten van toen hebben zijn boodschap begrepen.

In 1990 werd de Belgische ontwikkelingssamenwerking gestopt. Zo ook aan de universiteit in Kisangani. Alle Belgische professoren moesten terugkeren. Hugo, verbonden aan de universiteit van Limburg, bleef niet bij de pakken zitten, zocht geld en trok wel tweemaal per jaar voor een maand naar Kisangani om er de faculteit wetenschappen te steunen in het project rond rurale ontwikkeling.

In 1998 had ik het geluk 4 weken in Kisangani te verblijven. Toevallig waren Hugo en Manja (zijn vrouw) daar ook. Ik vergezelde hen naar de vijvers die er vroeger zo verwaarloosd bijlagen. Met wijd open ogen aanschouwde ik de verandering. Alles was netjes en onderhouden. De viskweek had goede resultaten. Er waren proefvelden aangelegd met groenbemesting. Dit alles had zich ontwikkeld tijdens de woelige jaren van Mobutu’s ondergang.

Bij mijn terugkeer besloten Magda en ik mee te werken aan het ontstaan van Kisangani vzw zodat het project meer armslag zou krijgen.

Dit jaar, in januari-februari, hadden we het geluk drie weken in ons vertrouwde Kisangani te verblijven. Van bijna alle activiteiten in verband met de rurale ontwikkeling zijn we getuige geweest. Alleen het eiland Mbiye hebben we niet bezocht. De dag van het bezoek lag ik met koorts te bed.

We stelden vast dat de viskweek, begonnen door de faculteit wetenschappen, navolging had gekregen. Meerdere groeperingen van mensen hadden vijvers aangelegd en werden door de faculteit bijgestaan. We hebben verscheidene proefvelden rond de stad bezocht waar groenbemesting wordt toegepast. De bananen en ananassenteelt waren de moeite waard. Ook hier stelden we vast dat gemeenschappen de technieken van groenbemesting toepassen. De kweek van konijnen heeft het verwachte resultaat en onze mond viel open van bewondering voor de volgende gebeurtenissen: De varkenskweek, de rijstvelden, een project met een lagere school en het niet afnemend enthousiasme van professoren en assistenten.

De varkenskweek op de faculteit is amper twee jaar bezig en krijgt heel wat bijval. De mest wordt gebruikt op de proefvelden en de bananenstronken zijn dan weer voedsel voor de varkens. De hokken met bamboeomheining worden proper gehouden.

Belangrijk is dat de hoeders niet brutaal met de dieren omgaan. Op de meeste proefvelden buiten de stad worden ook varkens gekweekt. De mensen zijn zeer geïnteresseerd want daar is veel eten aan…en waarom zouden ze ook geen varkentjes kunnen kweken? De rijst geteeld in het water is ook een revolutionair verschijnsel voor Kisangani en omstreken. We hebben de rijstvelden van de universiteit gezien. Maar de mensen die het resultaat zagen zijn begonnen in de vallei aan de andere kant van de weg. Ze worden natuurlijk bijgestaan door assistenten van de faculteit tot ze alles onder de knie hebben. Nog anderen zijn met rijstteelt begonnen op drassig gebied. Drie oogsten per jaar, dat kan tellen. De mensen spreken daar over. Wij ook.

Een lagere school, 15 km buiten de stad, doet mee aan de plattelandsontwikkeling. Dat was de verrassing. De faculteit had contact genomen met directeur en leerkrachten en hen overtuigd van de alternatieve methode om aan landbouw te doen. Weg met de ontbossing, leve de groenbemesting. Dit moet in de scholen aan de kinderen geleerd worden. De meeste onder hen worden de boeren van morgen. Een plan werd opgemaakt. Het grote braakliggend terrein, waarvan de grond uitgeput was, palend aan de school, zou landbouwgrond worden. De opbrengst van de oogst zou de school ten goede komen. Al het materiaal nodig om de grond te bewerken zou door de faculteit bezorgd worden. Om de leerlingen aan te moedigen zou er ook schrijfgerief bezorgd worden. De locale televisie en radio moesten bij het educatief gebeuren betrokken worden. In mei 2003 is men begonnen.

We hebben de school bezocht. Toen we aankwamen was het speeltijd voor een paar honderd kinderen. Wat een vrolijk gejoel.Bij één fluitsignaal viel alles stil en gingen de kinderen in rij zonder problemen, naar hun armoedige klaslokalen. Het grote veld dat we bezochten had een bamboeomheining zodat de geiten van de dorpelingen er niet binnen konden. In rijen waren bananenstruiken, ananassen en andere gewassen aangeplant. Daartussen stonden de hagen die zorgden voor de groenbemesting.Het was het werk van de onderwijzers met hun leerlingen. Rond de bananenplanten lag organisch afval. Daar zorgden de kinderen voor. Elke dag kwamen ze met organisch afval die ze langs de weg vonden naar school. Naast het veld was er een kleinere omheining waarin een varken een eenzaam leven leidde. Het zou gezelschap krijgen, want er moest gekweekt worden. Binnen een paar maanden zullen de eerste bananen geoogst worden. Er hebben nu reeds scholen belangstelling getoond om ook de nieuwe methode van landbouw toe te passen. Echt waar, onze mond viel open. Hier ligt de toekomst.

Het initiatief werd genomen door Hugo’s oud-studenten die nu professoren en assistenten zijn en voor wie wij een groot respect hebben. We hebben ze bezig gehoord en gezien. Mensen die werken voor hun gezin maar ook bewust voor hun land en hun volk. Geleerden die gedoctoreerd hebben aan onze universiteiten, bij ons rijkdom en luxe hebben gezien en teruggekeerd zijn naar hun failliete land waar corrupte leiders geen aandacht besteden aan onderwijs en volksgezondheid. Het zijn biologen bewust van het leven. Academici zonder pretentie die hun handen durven vuil maken. Wanneer ze niet in hun lokalen voor studenten moeten doceren dan staan ze in hun rubberlaarzen tussen de beesten, in het water, in het bos of in het veld…Die mensen hebben ons ongelooflijk verwelkomd en bedankt. Eén van hen zei me, terwijl hij naar zijn moto wees, Erik, dank uw vrienden in Europa voor de moto’s. Hoe zouden wij ons anders kunnen verplaatsen naar de velden buiten de stad? Dit transport helpt me ook om mijn gezin te voeden…

Het project voor rurale ontwikkeling functioneert als er daar maandelijks 8000 dollars liggen. Zoveel, vroeg mij iemand? Inderdaad, het is veel om ze te vinden. Maar het is wel weinig om dergelijk project draaiende te houden. Want meer dan 180 mensen die er rechtstreeks bij betrokken zijn, krijgen een maandelijkse premie. Er is één versleten wagen voor het transsport. De moto’s, het werkmateriaal…Het getuigt van goed beheer dat men met zo weinig geld tot zulke resultaten komt. Tenslotte zou er nog meer moeten gebeuren en zijn 8000 dollars te weinig…En zeggen dat reeds lang door officiële instanties het project als zeer degelijk werd gerapporteerd, maar dat de officiële hulp weg blijft. Hoe lang nog? We zijn er ons van bewust dat, zonder de bijstand van de vele vrienden die het project genegen zijn, onze mond niet open gevallen was. Zij doen het. Wij helpen.