Kisangani vzw

Mensen in Kisangani (3)

Mei 2005

[Nederlands] [français]

Het is 12 mei en ik zit op de trein naar Hasselt van uit Brugge. Overmorgen vertrekken Manja, Hugo en Greet naar Kisangani. Een heel pak brieven met toebehoren, bestemd voor Kongolese vrienden, zal ik aan Manja toevertrouwen.

In de trein is het gemakkelijk te mijmeren en je gedachten vrij te laten. Je moet niet sturen, daar zorgt de machinist voor. Natuurlijk denk ik terug aan de mensen van Kisangani die ons kwamen groeten tijdens ons laatste bezoek. Als een levende cinema zie ik de beelden voor mijn ogen. Het vrouwtje met haar mooi rond gezichtje met de twee baby’s goed ingepakt op haar heupen zie ik stralend op mij afkomen. Magda en ik waren toen op bezoek in het lepra en tuberculosecentrum, ons vroeger werkterrein.

Fier toonde Elumba haar tweeling van 4 maanden. We groetten elkaar uitbundig. Ik wenste haar geluk en vroeg naar de papa. Mosondi zei ze en haar gelaat verkleurde.

Oei. Mosondi was bijna twee jaar geleden overleden aan een zwaar besmette beenwonde. Verder stelde ik geen vervelende vragen meer maar loofde goedkeurend de mollige sloebers die intussen aan haar weelderige borsten gulzig het beste van het beste binnenzogen. Dat had Rubens moeten zien. Mijn hart werd week bij de gedachte dat ze nu, alleen, vijf kinderen op te voeden had. Waar is de tijd?

In 1989 leerde Mosondi* het meisje Elumba* kennen in het ziekenhuis. Beide jonge mensen waren ernstig door lepra aangetast en kregen een gepaste behandeling. Ze genazen en gingen samen wonen. Maar een klauwhand bleef het merkteken van zijn melaatsheid, een beletsel om werk te vinden. Onze buurvrouw, Mukeni Bea, doctor in de pedagogie en verbonden aan de universiteit, was zeer bekommerd om het lot van de melaatsen. Ze nam Mosondi in dienst als huisknecht. Een voorbeeld in de Kongolese maatschappij dat ik graag vermeld. Mosondi en Elumba kregen samen drie kinderen.

De fiere vader schreef me dat het oudste kind Erik heette en aldus waren we ba-ndoi (verwant) aan elkaar. Dat wil dan wel zeggen dat den oudsten Erik schatplichtig is aan de jongste. Dus informeerde ik bij Elumba hoe het was met mijn ndoi Erik. Ze vertelde mij dat haar opgeschoten tiener gevlucht was naar de overkant van de Kongostroom. Hij had een fiets gestolen om als taxi (toleka) te gebruiken en zo wat geld te verdienen.

Voor mij zag ik de Italiaanse film "De Fietsendief" (Vittorio de Sica) waarin armoe en miserie de mens aanzetten tot het verplaatsen van de dingen. Jammer dat ik mijn naamgenoot niet kon ontmoeten… Elumba had het dan over haar twee meisjes die zo graag wilden leren, maar het schoolgeld ontbrak. Haar daarvoor dollars geven durfde ik niet want de verleiding zou voor haar te groot zijn om het te besteden aan eten en kleren. Ze was akkoord dat de hoofdverpleger, François, het geld zou beheren. Maar het werd tenslotte toevertrouwd aan een lieve Italiaanse zuster die de troost is van aan hun lot overgelaten aidslijders met tuberculose.

We hebben ze gezien, Magda en ik, die arme mannen en vrouwen, liggend op een matje op de cementen vloer of op de vering van een bed zonder matras. Allen hadden ze een pijnlijke schimmel in de mond. Gelukkig gaf onze buur, Dr Jens Van Roey, een wonder medicijn (miconazole) mee. Een tablet dat op het tandvlees wordt aangebracht en schimmel en pijn in acht dagen doet verdwijnen. Duizenden tabletten hadden we mee die we bezorgden aan die zuster, Dr. Kayembe en hoofdverpleger François die allen met aidspatiënten geconfronteerd worden.

Op een morgen dat ik meereed in de kramakkelachtige jeep van de faculteit, richting Simi Simi, zag ik achter op een toleka (taxifiets) onze vriend, dokter Kayembe.

We stopten om hem te groeten en boden een lift aan naar het universitair ziekenhuis waar hij werkzaam was. Hij weigerde, want, zei hij, ik wil de fietser zijn brood niet afnemen. Ongelooflijk die solidariteit onder elkaar.

Vroeger had Dr Charles Kayembe een Vespa. Deze was op de draad versleten en niet meer te vermaken. Geld voor een nieuwe was er niet. Hij is wel een bekend arts en professor aan de universiteit maar heeft niet de middelen om een vervoermiddel aan te schaffen. Nochtans zou hij rijk kunnen worden met zieken uit te buiten…

Wat verder zag ik weer een bekend gezicht. Ook een genezen leprapatiënt. Hij schreeuwde naar mij Elikéé (Erik) en ik terug Philippééé! De chauffeur hield halt en ik wipte naar buiten. Wit en zwart omarmden elkaar. Hij zag er zeer goed uit. Toen wees hij naar de overkant waar hij zijn bedrijfje had in de schaduw van een mangoboom.

Fietsenmaker was hij geworden. Met de duizenden toleka’s (taxifietsen) in en rond de stad was er voldoende werk voor hem. Elke dag installeerde hij zich met zijn gerief onder de boom. Enkoti kitoko, een mooi petje heb je daar op zei hij. Hij had er geen.

’t Is er eentje van Monsieur Jan Verlinden, (collega verpleger in Kisangani) zei ik, ken je hem nog? Très bien et pesa ye mbote mingi mpe sika moko na Mama Lita (Rita). (Doe hem de groeten en ook aan zijn vrouw Rita.) ‘k Gaf Philippe het petje (Jan had er mij heel wat meegegeven) en hij sprong een gat in de lucht van "contentement". Er kwam een fietser met een platte band. Ik nam afscheid van de man die ons de volgende dag een ananas zou brengen, geoogst op een veld met groenbemesting.

Mijn trein stopt. Hasselt. Mijn artikeltje voor Boyoma 13 zit in mijn hoofd. Manja, stralend als altijd, is er. We gaan samen iets gebruiken in het restaurant van het station. Ik overhandig haar de vele brieven die ik schreef met toebehoren waar Magda voor zorgde. De groeten in Kisangani… Welgezind spoor ik terug naar West-Vlaanderen en noteer de gedachten van straks die jullie, lieve lezeres en trouwe lezer, nu gelezen hebben terwijl Hugo, Manja en Greet pas terug zijn van het project Kisangani. Dank u voor het blijven steunen en een mooie zomer is jullie van harte gewenst.