Kisangani vzw

Mensen in Kisangani (2)

Februari 2005

[Nederlands] [français]

François, vroeger mijn collega hoofdverpleger, kwam ons groeten, samen met zijn charmante vrouw, Lucie. Alhoewel hij bijna zeventig was, bleef hij nuttig werkzaam in de lepradienst en verdiende hij nog een cent. Want op pensioen gaan zag hij niet zitten het werd toch niet uitgekeerd. De suikerziekte speelde hem parten en we hielpen hem met medicijnen.

We haalden herinneringen op van vroeger. Weet je ’t nog toen ik je voor het eerst thuis in 1982 bezocht? Het was in de cité van Mangobo waar zelden een blanke verscheen. Ik had nog maar pas zijn huis verlaten en François kreeg bezoek van de veiligheid. Het vermoeden dat ik een huurling zou zijn tegen het regime van Mobutu was reëel. Maar toen ze hoorden dat ik voor melaatsen werkte waren ze gerust. Ik ben verder bij hem thuis op bezoek geweest. In het centrum van Mangobo had François, als bijverdienste, een kleine bar. Die stond op naam van zijn broer daar hij officieel als functionaris geen ander beroep mocht uitoefenen. Elke zaterdagmiddag, na het werk, gingen we daar met de collega’s verpleegkundigen het korte weekend inzetten. In de moeilijke jaren negentig, toen Mobutu’s militairen zich straffeloos verrijkten met diefstal, heeft hij de bar moeten sluiten. De mensen werden steeds armer en de vreemde soldaten die Kisangani bezetten blonken ook niet uit in tucht. Het cafeetje ging nooit meer open. We bleven lang bomen over het gebeuren tijdens de laatste jaren. Dan kwam het afscheid en voelden we hoe zwaar het woog. Wellicht zien we elkaar nooit meer terug. Dag François. Dag Lucie…

Op zaterdagmorgen, de laatste dag van januari, rond 7 u naderden ze ons guest-house, de kameraden Lobela en Dieudonné. Van bij ’t krieken van de dag waren ze vertrokken op één fiets. Ze hadden een grote tros (een regiem noemen ze dat) bananen bij en een reuze ananas. De omhelzingen waren even groot. Sinds ons vertrek uit Kisangani in 1990 hadden we contact blijven houden.

Dieudonné bestuurde vroeger de grote prauw die we van Hugo Gevaerts mochten gebruiken om de leprozerie van Yalisombo te bezoeken. Ook om 100 km ver naar Isangi te varen. Hij behoort tot de Lokele bevolking en kent zeer goed de Kongostroom tot een eind over Isangi. Ik herinner mij nog zeer goed een voorval op die fameuze stroom. We voeren naar Yalisombo dat zich op de linkeroever bevindt. Toen we ter hoogte waren van de plaats waar de grote rivier Lindi zich in de Kongostroom wierp en we op punt stonden naar links te zwenken om naar de overkant te varen, stak er plots een wind op, werd het duister en begon het te regenen. Dieudonné aarzelde niet, hij stuurde vlug naar rechts, gaf volle gas en stevende af naar het hospitaal van Yakusu dat schuin rechts voor ons lag. De stroom werd wilder en wilder. Het was een gevecht tegen het natuurgeweld om zo vlug mogelijk de oever te bereiken. De golven werden steeds hoger, schuimden van woede en deden de prauw wankelen. Ik dacht aan het gedicht ‘De Storm’ van Rodenbach. De regen striemde en we rilden door de plotse afkoeling. Maar we naderden de kleine haven en bestuurder en prauw wonnen het gevecht. Het was een hele opluchting. Enkele prauwen met vissers waren toen omgekeerd, maar allen waren ongedeerd.

Ja, Dieudonné was een crack. Hij was ook nachtwaker geweest bij ons thuis en behoorde bijna tot de familie. Enkele gebeurtenissen van toen staan me nog levendig voor de geest. We waren pas verhuisd naar een huis aan de stroom rechtover het vervallen, maar merkwaardig gebouw, waar in 1964 President Gizenga zijn intrek had genomen. Onze naaste buren, links, rechts en achter ons waren Kongolezen waarmee we goed overeenkwamen. Aan Dieudonné hadden we een fluitje gegeven dat hij moest gebruiken in geval er gevaar dreigde. We woonden er pas een week toen diep in de nacht we wakker werden van gefluit en lawaai. Ik hoorde het woord ‘moyibi’, dief! ’t Is zover riep ik tegen Magda. Nooit eerder had ik mijn broek zo vlug aan. Ik haastte mij naar buiten. Magda volgde voorzichtig. Triomfantelijk met de machete in de hand stond Dieudonné voor een man die neergeknield aan zijn voeten lag. Hij was de omheining over geklommen in de hoop zijn slag te slaan. Maar de wakkere schildwacht was hem te vlug af. Heel wat buren waren wakker geworden en eisten dat we de inbreker aan hen zouden uitleveren. Ze zouden petroleum in zijn oren gieten. Om hem te beschermen hebben we hem naar het politiebureel gebracht. Daar vroegen ze me geld om hem te ondervragen. De politiepraktijken kennende zou ik geen likuta (een honderdste van een Zaïre) betalen. Ze hebben hem, een ex-militair, dan maar vrij gelaten.

Dieudonné was ook een meester in het roken van vis. Als we de kans hadden bij de vissers op de stroom een kapitein van rond de tien kg te kopen dan was het werk van nachtwaker Dieudonné de in stukken gesneden vis te roken. De dag daarop kreeg hij zijn deel mee naar huis. Nu nog krijg ik het water in de mond als ik er aan denk. Zo lekker, geurig vers..hmm.

Zijn kameraad, Lobela, was ons in 1982 in de leprozerie van Yalisombo opgevallen. Zijn gezicht stond vol lelijke knobbels. Een intensieve leprabehandeling in Kisangani genas hem. Hij werd weer een schone jongen. Gehuwd met Betofe, een mooie vrouw, ook genezen van dezelfde ziekte, bouwde hij een klein huisje in Mangobo. We namen hem in dienst als reservenachtwaker. In 1990 moesten Belgische ontwikkelingshelpers, ook wij, Kongo verlaten. Velen verloren hun job, ook Lobela en Dieudonné.

Dr. Charles Kayembe die zo dikwijls Lobela tijdens zijn ziekte had bijgestaan zorgde dat hij werk kreeg in het labo van de universitaire kliniek.

Dank u, Charles.

Dieudonné, Lobela’s vriend geworden, werd nachtwaker in het gehandicaptencentrum “Simama” van de Nederlandse pater Martien Konings (zelf verlamd en in een rolwagen). Ook bedankt Martien.

Zo hebben beide vrienden maandelijks een bescheiden inkomen. Ze zagen er ook gezond uit. Lobela moest naar het werk en ze zouden zeker nog terugkomen want er was veel te vertellen. Wijzend op hun pols vroegen ze hoe laat het was. Een wenk die we goed begrepen. Van een vriendin hadden we een tiental polshorloges gekregen en die zouden goed van pas komen.

We bedankten de twee spitsbroeders voor de bananen en de kanjer van een ananas die zijn grootte te danken had aan de groenbemesting. Ook Martien Konings past de groenbemesting toe op de velden van zijn centrum en krijgt daarbij advies van de bioloog, Professor Mate.

Mijn verhaal eindig ik met de trouwe lezeres en lezer vreugdevol te danken voor de steun aan het steeds groeiend project in Kisangani ten voordele van de Kongolese man en vrouw.