Kisangani vzw

Lufutu (1)

Mei 2002

[Nederlands] [français]

Menigeen die ons informatieblaadje leest heeft in Kisangani gewoond of is er op bezoek geweest. Ze hebben niet veel uitleg nodig om het Congolees jargon te begrijpen. Me dunkt dat de vele anderen die Kisangani vzw steunen, maar nooit in Congo geweest zijn, recht hebben op wat meer uitleg bij sommige woorden. Bij sommige woorden geef ik dan ook een beetje duiding. Voor de ’kenners’ is het een opfrissing.

Lufutu (uitspreken als Loefoetoe), is een oude man, behorend tot het Topoké volk dat leeft in de streek van Isangi, een stadje een honderdtal kilometer van Kisangani gelegen op de linkeroever van de Congostroom. Hij woont in Mangobo, een zone behorend tot Kisangani, waar ook de textielfabriek Sotexki ligt. In die zone wordt overwegend Lingala gesproken. Lufutu noemt ook Samuel, zijn doopnaam. Maar iedereen zegt Lufutu. Als je de ’f’ een beetje aanhoudt dan krijgt de naam een magische klank. Probeer maar eens uit te spreken met de ogen dicht. In je verbeelding kan je misschien een slangenbezweerder zien verschijnen. De oude Lufutu heb ik nooit slangen weten bezweren. Trouwens, het behoort niet tot de Congolese gewoonten. Hij was wel zeer vlug om ze liefst in enen keer morsdood te slaan.

Lufutu. Aan de tatoeage in zijn gezicht kon je zien dat hij Topoké was. De uitstekende knobbels op zijn voorhoofd toonden een zekere norsheid, maar als hij glimlachte was het precies de zon die door een donkere wolk brak.

Lufutu, mijn vriend… De Lokeles (vissers en handelaars op de Congostroom) plaagden hem door te zeggen dat hij afstamde van menseneters. Dan zegde hij dat ’Lokele’ tot het slechtste vlees behoorde dat zijn vader ooit gegeten had.

Wanneer Lufutu sprak begon hij steeds met ’oyoki’ (luister). Iedereen luisterde aandachtig. Het was, of bloedernstig, of enorm geestig. Rechtvaardigheid en eerlijkheid stonden hoog in zijn blazoen. Onderdrukking verachtte hij grondig en hij stak het niet weg. Ook niet wanneer hij voor soldaten stond van Mubutu, Kabila of Kagame. Rijk is hij niet geworden. Wat hij had deelde hij. Hij vond het maar normaal dat hij ook kreeg. Wanneer iets gebeurde dat hem de moeite waard leek, bazuinde hij het uit op zijn manier. ’Oyoki ?’ zei hij en iedereen luisterde.

Zo had hij het eens over Igo Kevara of Kevala… De ’r’ en de ’l’ worden vaak door elkaar gebruikt. Eerst dacht ik dat hij het had over Ché Guevara. Maar hij had het over Hugo Gevaerts. Misjeu Igo Kevara, die blanke die twee keer per jaar naar Kis komt om de vissen in het water te vermenigvuldigen. ’Ha, professeur Gevaerts’, zei ik. ’Pas professeur’, protesteerde Lufutu, ’mais misjeu Kevara’. ’We mogen tegen u toch ook geen docteur zeggen ? Oyoki, Papa Elike (Mijn naam is Erik), het hart van Misjeu Kevala is zo zwart als mijn vel.’ Het mag gezegd worden, het vel van Lufutu is superzwart. Hij bedoelde dat Hugo één van hen is. Hugo is papa en broer. Als we profeet Lufutu moeten geloven dan is Kisangani binnen tien jaar het land van melk en honing. De bananenstruiken die Kevara plant dragen tien keer zoveel. Als ik opmerk dat het toch wel de mensen van de universiteit zijn die het werk doen terwijl Igo in Mputu (Europa) zit, dan bekijkt hij mij en zegt : "Oyoki, ye, Igo Kevara, azali tata ya mosala yonso" (Hij is de vader van alle werken). Nu wil ik Hugo niet vergelijken met Jezus Christus. Maar ik kan me niet van de gedachte losmaken dat er ten tijde van Jezus meerdere Lufutu’s de gebeurtenissen hebben aangedikt. De blijde boodschap door Lufutu in Mangobo uitgebazuind zal nog straffer worden. Reden : Hugo gaf hem onlangs een fiets cadeau.

(Wordt vervolgd)