Kisangani vzw

Kisangani, stad van hoop ?

Januari 2005

In Kisangani wordt intens meegeleefd met de slachtoffers van de natuurramp in Zuid-Oost-Azië. De inwoners van deze Kongolese stad kunnen zich uit eigen ervaring iets voorstellen bij de ellende die daar over miljoenen mensen is gekomen. Ook in Kisangani zijn in de loop der jaren vele doden gevallen: slachtoffers van moordlustige bendes, die ongestraft en buiten de waarneming van de wereldopinie hun gang konden gaan. Ooit heeft de Veiligheidsraad beslist dat de mensen van Kisangani schadeloos moesten worden gesteld voor al het hun aangedane leed. Maar de resolutie bleef dode letter en onvermeld in de internationale media.

Voor Kisangani — en de rest van Oost-Kongo — geen grootschalige hulp- en solidariteitsacties . De stad moest zichzelf maar zien te behelpen, een ondoenlijke zaak. Dat leverde haar bijnamen op als ‘stad van martelaren, verdoemde stad, verloren stad’. Maar bij de pakken blijven zitten doen de mensen ook hier niet, zeker niet nu de oorlog voorbij lijkt. In het centrum staat sedert kort een gigantisch bord waarop de bezoeker welkom wordt geheten in Kisangani, “stad van hoop”. Onwillekeurig vertraag ik, herlees de tekst vol ongeloof. Hoop? In Kisangani?

“Maar natuurlijk !” roept Marcel, “natuurlijk is er hoop ! Het gaat de goede kant op, echt waar!” Marcel, een onverbeterlijke optimist, is administratief directeur bij Beltexco, een import-exportfirma. Tijdens de “rebellie” van 1998 tot 2003, die Kisangani haast volledig van de buitenwereld had afgesloten, viel er uiteraard niet veel in of uit te voeren. Maar nu de scheepvaartverbindingen hersteld zijn varen de boten van Beltexco weer heen en weer over de Kongo-stroom tussen de hoofdstad Kinshasa en Kisangani. “Op drie jaar tijd hebben we onze omzet met dertig procent verhoogd, zegt Marcel fier, en wat meer is: nu onze producten niet meer per vliegtuig dienen te worden aangevoerd, zijn de prijzen flink gedaald. Een zak cement, die drie jaar geleden nog 60 euro kostte, verkopen we nu tegen 18 euro. En je ziet de gevolgen al: de mensen bouwen weer en nog wel met goede bakstenen, die hier ter plaatse worden gemaakt.”

Raymond Mokeni, de voorzitter van de plaatselijke Kamer van Koophandel, deelt het optimisme van Marcel niet. “ De kwalen van Kisangani zijn nog altijd dezelfde, vindt hij. Al die kleine economische activiteiten betekenen op macro-economisch vlak helemaal niets. Van een industriële productie die naam waardig is geen sprake en kán ook geen sprake zijn. Eerst moet de aanvoer uit het binnenland weer op gang komen. Maar de wegen zijn nog lang niet hersteld, bruggen en veerponten zijn onbruikbaar. En zolang er geen productie is, zal ook de koopkracht van de bevolking onvoorstelbaar laag blijven. Ja, de brouwerij, die functioneert nog. Maar een fles bier kost een euro. Wie kan dat betalen?”

Mokeni legt de vinger op de wonde. Een recente studie heeft uitgewezen dat het gemiddeld jaarlijks inkomen per hoofd in Kisangani 35 euro is, heel wat minder dus dan de halve euro per dag die over het algemeen als een absoluut minimum wordt beschouwd. Zelfs een tros bananen (drie euro) is dan onbetaalbaar. Toegegeven, de studie is uitgevoerd vóór het overheidspersoneel opnieuw een soort wedde kreeg. Zes jaar lang werden bijvoorbeeld de leerkrachten niet betaald. De centrale regering in Kinshasa is nu begonnen met het uitbetalen van de achterstallen, maar slechts tot december 2003. Vijf jaar loon is dus definitief verloren. De wedden, die nu uitbetaald worden, zijn die naam nauwelijks waardig: in het lager en middelbaar onderwijs liggen ze tussen 5 en 25 euro per maand. De leraren zijn dus nog altijd aangewezen op het schoolgeld dat de ouders betalen, maar hoe kunnen die dat als ze niet eens in staat zijn hun kinderen behoorlijk te voeden?

En toch: “er is hoop”. Dat is het eerste wat we te horen krijgen in een centrum voor ondervoede kinderen. Drie jaar geleden waren we hier voor het eerst. Het centrum bood toen een onderkomen aan een honderdtal kinderen en hun moeders, maar was niet echt in staat ze te helpen. Vrijwel dagelijks stierf een kind van de honger. De Kongolese vrijwilligers stonden machteloos. Nu is de situatie heel anders: in de opgeknapte openlucht-keuken staan grote potten voedsel te dampen. Unicef heeft het centrum overgenomen en zorgt voor de bevoorrading. Dezelfde wanhopige vrijwilligers van drie jaar geleden maken zich nu sterk dat ze alle kinderen kunnen redden.

Maar een onbescheiden blik in de “apotheek” leert dat er nog altijd geen geneesmiddelen zijn. We zien een vrouw, die 90 kilometer te voet heeft afgelegd met haar stervende baby. Even verderop ligt een jongetje van 9 maanden wezenloos in de armen van zijn moeder. Hij weegt amper 4 kilo. Zelfs als dit kind hier levend buitenkomt, hoelang duurt het voor het opnieuw ondervoed raakt? “We leren de ouders hoe ze hun kind moeten voeden”, zegt een vrijwilliger hoopvol. “Beter, gevarieerder”. Ja, maar kunnen jullie de armoede bestrijden? vraag ik hem. Hij antwoordt niet. De “hoop” heeft hier een bittere bijsmaak.

Wie de armoede wel zouden kunnen bestrijden zijn de nieuwe investeerders. Niet afgeschrikt door het heropflakkeren van de oorlog in Kivu strijken ze volop neer in de Oostprovincie, aangelokt door miljoenen hectaren oerwoud, waar zich de beste soorten hardhout ter wereld bevinden. Eén van de gegadigden is Safbois, een onderneming van de Amerikaanse Blattner-groep, waarin ook Marc-Yves Blanpain van de in Kongo gespecialiseerde bank Belgolaise een belangrijke rol speelt. Safbois heeft in de buurt van Isangi, op zo’n 200 kilometer van Kisangani, een kapconcessie verworven voor 250.000 ha. Op de faculteit wetenschappen, die al vele jaren een project heeft lopen om het woud te beschermen, maken ze zich grote zorgen over de 10.000 mensen die in dat gebied wonen en voor hun levensonderhoud op het woud zijn aangewezen.

Theoretisch is er niets aan de hand: een nieuwe Kongolese wet stipuleert dat 40 % van de belastingen op houtkap geïnvesteerd moet worden in de sociale ontwikkeling van de lokale bevolking. Maar daar moet prof. Dudu van de faculteit wetenschappen hartelijk om lachen. Hij heeft een rapport over de Safbois-concessie opgesteld voor de Belgische afdeling van het Wereld Natuur Fonds. In het huidige Kongo verdwijnen belastingen — voor zover ze betaald worden — in zakken van corrupte overheidspersonen en is er geen sprake van controle op naleving van wetten, hoe goed die ook zijn, zegt hij.

Greenpeace,dat de houtkap in héél Afrika kritisch volgt, beaamt: “Overal waar Safbois actief is ontstaan conflicten met de lokale bevolking, dat zal in Isangi niet anders zijn. Er zullen gigantische winsten worden gemaakt, die in geen enkel opzicht bijdragen tot de ontwikkeling van het gebied.”

Geen reden tot hoop dus. Maar we geven de moed niet op. We richten onze schreden naar de waterkrachtcentrale op de Tchopo-rivier. Die centrale heeft letterlijk het leven van de stad in handen. Ook in Kongo is een stad zonder stroomvoorziening een dode stad. Vooral voor de ziekenhuizen is iedere stroomonderbreking een kleine ramp, ook omdat de waterpompen dan niet meer werken en er dus geen schoon water voorhanden is. Toch zijn de elektriciteitspannes in Kisangani legendarisch. Soms duren ze een paar uur, soms een paar dagen. Vorig jaar januari, precies een jaar geleden, was er zelfs een hele maand lang geen stroom. Oorzaak: de waterkrachtcentrale was overstroomd. Een arbeider had per ongeluk een doorlaatklepje geopend i.p.v. gesloten. Maar in de ogen van de bevolking lag de schuld voor het defect bij “de Belgen”. Daarmee werden dan de Belgische ingenieurs bedoeld die al drie jaar bezig zijn met herstellingswerkzaamheden aan de centrale. Ze is in de jaren 50 gebouwd door het toenmalige Acec uit Charleroi. De stroom werd toen opgewekt door drie turbines. Vandaag draait er nog maar één en niemand kan zeggen hoe lang nog. Daarom besliste de Belgische regering al in 2001 een bedrag van 156 miljoen toenmalige franken uit te trekken om alvast één turbine te laten repareren. De opdracht werd toevertrouwd aan het Franse Alstom dat Acec ondertussen heeft overgenomen. Toen de werkzaamheden eenmaal begonnen, stelden de ingenieurs vast dat door het jarenlange gebrek aan onderhoud de kosten veel hoger waren dan oorspronkelijk geraamd. De overstroming van vorig jaar joeg de kosten nog meer de hoogte in. De Belgische regering greep een tweede keer in de portemonnee en stelde 564.000 € ter beschikking, op voorwaarde dat ook de Kongolezen zelf een financiële inspanning deden. Maar daarmee waren de problemen nog lang niet opgelost.

Onderdelen, die vanuit België naar Kinshasa waren gestuurd om vandaar uit naar Kisangani te worden verscheept, geraakten niet ter plaatse. Op een bepaald ogenblik besliste Alstom zelfs de werkzaamheden stop te zetten. De Kongolezen kwamen hun deel van de financiële verplichtingen immers niet na. Sterker: de eerste schijf die België betaald had zou in de zakken van Kongolese ministers zijn verdwenen, zo wisten mijn doorgaans goed geïnformeerde vrienden te melden. Buitenlandse Zaken in Brussel relativeert: het ging om een lening van staat tot staat en de terugbetalingstermijn is niet gerespecteerd. Berustend: “dat gebeurt wel vaker met leningen aan Kongo”. Alstom-Charleroi reageert nog zonniger: “We hebben nu met de Kongolezen waterdichte afspraken. We zullen zonder enige twijfel betaald worden als de werken eenmaal uitgevoerd zijn. De geblokkeerde onderdelen komen één dezer dagen in Kisangani aan, onze mensen zijn na een welverdiende Kerstvakantie vertrokken om de laatste fase van de werken uit te voeren. In juni kunnen we de volledig hernieuwde turbine feestelijk inwijden.” (In december 2005 werd de hernieuwde centrale inderdaad feestelijk ingewijd)

School gebouwd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking

Een straaltje hoop dus. Als niet iemand een tweede keer een verkeerd doorlaatklepje opent.

De elektriciteitsvoorziening van Kisangani veilig stellen is niet de enige nobele doelstelling, die ons land in Kongo nastreeft. Het heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd tot de eenmaking van het nieuwe Kongolese leger. Geen eenvoudige klus: verscheidene milities die elkaar vijf jaar lang te vuur en te zwaard hebben bevochten samen met de regeringstroepen verenigen tot één geolied geheel is geen kattenpis. Toch is het een essentiële voorwaarde om de broze vrede te bewaren. (In Kivu is het alvast mislukt: daar vechten de milities weer vrolijk verder zoals vanouds. Daarom hebben Belgische eenheden in Kisangani een nieuwe, “geünifieerde”, brigade opgeleid . Het is de bedoeling dat die brigade rust brengt in de Ituri-streek, waar het geweld al evenmin verdwenen is.

De Belgen hebben goed werk geleverd vertellen mijn vrienden me enthousiast. De soldaten dragen nu allemaal hetzelfde uniform (een cadeau van de Belgen) en ze hebben geleerd dat ze hun wapen met de loop naar omlaag moeten dragen. In juni 2004 zijn ze naar België teruggekeerd: opdracht volbracht. Wie beschrijft mijn verrassing als ik in december mannen in Belgisch legeruniform tegen het lijf loop. Ze blijken hier te zijn voor wat ze zelf een “geheime” missie noemen: met een C 130 de nieuw gevormde Kongolese brigade en hun materieel overvliegen naar Bunia, de hoofdplaats van de Ituri-streek. Een deel van dat materieel stamt uit garages van het Belgisch leger: 80 vrachtwagens en jeeps, geleverd in prima staat. Maar daar blijft nu al weinig van over: ofwel zijn de voertuigen achterovergedrukt door officieren of ze zijn helemaal stuk gereden. Wat de C 130-bemanningen met hun Kongolese passagiers meemaken is hallucinant. Ze willen alleen aan boord met hun wapens en munitie op scherp. Van beperkingen op de vracht — om veiligheidsredenen — willen ze niet horen. Vaak proberen ze de Hercules trouwens vol te stouwen met persoonlijke bezittingen. Naar rede willen ze daarbij niet luisteren. Eén keer is het gebeurd dat een Kongolese militair een Belgische piloot bedreigde met zijn Kalashnikov. De tucht in deze ‘nieuwe’ brigade is al even apart. De officieren blaffen hun manschappen af, vaak gaan ze over tot vernederingen. Een courante ‘straf’ is bijvoorbeeld een soort van spitsroede lopen: de soldaten staan opgesteld in rijen, de benen gespreid. De gestrafte moet op zijn knieën tussen de benen van zijn collega’s kruipen, die hem dan zachte klappen met de hand verkopen. Pijn doet het niet, vernederend is het wel. De soldij is belachelijk laag: 5 euro voor de gewone ‘milicien’, amper 30 voor de hoogste rangen. De Belgische militairen in Kisangani hebben dan ook een zwaar hoofd in de doeltreffendheid van de door hen opgeleide brigade: bij de eerste de beste confrontatie lopen de manschappen over, slaan op de vlucht of vermoorden hun officieren, zo is hun pronostiek. Is minister van Defensie Flahaut op de hoogte van deze mislukking? “Waarschijnlijk niet, zeggen me de militairen, want de heren die deze operatie leiden vanuit hun bureau in Brussel of Kinshasa luisteren niet naar ons, ze weten het toch allemaal beter.”

Kisangani: stad van hoop, inderdaad.