Kisangani vzw

Hoe we konijnen leerden kweken…

30 november 2009

[Nederlands] [français]

Toen ik begon te werken voor het Project L.U.C.* (Limburgs Universitair Centrum) wist ik niet al te veel van konijnen af. In het begin geloofde ik helemaal niet dat het konijnen kweken zou lukken. Inderdaad, we begonnen met maar 16 konijnen, waarvan 12 moeren (wijfjes) en 4 rammelaars (mannetjes). We moesten ze laten paren en dan moesten we de zwangerschap volgen tot aan de bevalling. Het was echt moeilijk om te weten of er wel een bevruchting was geweest. Ik moest dan ook leergeld betalen. Om me te helpen had Prof. Hugo Gevaerts me wel wat boekjes bezorgd over kweek van konijnen, kippen en kalkoenen. Maar nu ga ik het alleen hebben over de kweek van konijnen. Ondanks alle vergissingen lukte het koppels te laten paren. Op de 12 wijfjes hebben we toch 9 voldragen zwangerschappen gelukt. Een moer had gemiddeld 6 konijnenjongen. Wat waren nu mijn problemen? Het was vooral het hoge sterftecijfer van de jongen. Iedere morgen opnieuw vonden we kleine dode diertjes. Ik was ongerust, want er moest een oorzaak zijn, en ik moest de exacte oorzaak kunnen uitleggen aan de verantwoordelijke van de sector kleine zoogdieren Prof. Dudu Akaibe. Die kwam, als hoofdverantwoordelijke ’s avonds op het onverwachts om mee te observeren en proberen te begrijpen waarom die jongen stierven. Ik was altijd in het dierenverblijf om mee de beestjes te voeden. Hij moedigde me aan om verder te doen met de kleintjes en om de andere dieren te verzorgen. De projectcoördinator Prof. Dhed’a Djailo, kwam alle zondagen na de mis kijken en stelde me dan vele vragen over de problemen met de kweek. Hij waakte over het geheel van het Project L.U.C. Al wandelend door het bananenveld legde ik mijn probleem betreffende het hoge sterftecijfer van de jongen uit. Ik had een grote verantwoordelijkheid om de productie te doen lukken en groeien, want het aantal dieren moest groter worden. Ik voelde ook het gewicht van de goede naam van de Faculté des Sciences. De Boyomezen (inwoners van Kisangani) weten sinds jaren dat de Faculté des Sciences de dingen goed doet. Wanneer de Faculté des Sciences zich tot iets verbindt, doet ze dat met succes. Het is de cultuur die de Belgen hebben achtergelaten aan hun studenten. Deze studenten zijn nu de professoren. Indertijd vormden belgen het merendeel van de professoren van de Faculté des Sciences van de Universiteit van Kisangani. Hugo Gevaerts, de vroegere decaan van deze Faculteit, was één van hen.

Ik ben aan het werk gegaan. Zekere morgen stelde mijn collega voor om de inventaris van de dode jongen te gaan maken. Ik reageerde: de dag komt dat we ’s morgens zullen gaan kijken hoeveel jongen er ’s nachts geboren zijn. We hebben ons goed georganiseerd. We hadden een beetje geld voor in geval van nood. Ik heb nog eens goed de boekjes gelezen die Hugo me gekocht had. Zo heb ik gemerkt dat het sterftecijfer van de jongen zo hoog was, omdat de jongen vanaf de eerste dag slecht gevoed waren. De moer zoogde de jongen niet goed. En het eerste voedsel is de moedermelk. De zogende moer was heel actief en hield zich niet bezig met haar nageslacht. Ze nam te weinig tijd om de jongen te voeden. Vandaar kwam de ondervoeding, de verzwakking en uiteindelijk het sterven van de jongen. Ik heb dan beslist gevlochten matten te kopen op de markt langsheen de Kongo-stroom. Ik ging er op zitten en kon zo de moeren vasthouden en de jongen laten drinken. Ik deed dat alle dagen tussen 6h00 en 7h00 voor de academische activiteiten en ’s avonds vanaf 17h30. We moesten opletten dat we de zogende moer niet zouden traumatiseren. Veel mensen nemen de konijnen bij de oren, want die zijn lang, zodat we de neiging hebben de dieren vast te nemen bij de oorschelpen. Maar dat traumatiseert het dier want nadien kruipt het een hele tijd in een hoek van het hok. Ik nam het wijfje op bij het rugvel en legde het dan rustig op de mat met de jongen bij haar. Dan hielp ik de jongen om de tepels van hun moeder te vinden, want ze zijn blind geboren en hun reukorganen zijn nog niet goed ontwikkeld. Ik observeerde dat de jongen zogen en hun buikjes zwollen op alsof we een fietsband van een "toleka" aan het oppompen waren. Eens ze hun buikjes goed gevuld hadden, vielen ze in slaap. Dan legde ik de moer met haar jongen terug in haar konijnenhok. Zo heb ik het sterftecijfer kunnen afremmen. Het aantal dieren verdubbelde, verdrievoudigde en verviervoudigde. Het was ons gelukt. Onze verantwoordelijken waren tevreden over mijn werk. Ik herinner me Prof. Dudu Akaibe "’t Is goed dat ge dat probleem hebt kunnen oplossen, ik maakte me er zorgen over, weet ge, dat probleem met de konijnenjongen". Alles is goed georganiseerd. Er zijn registers waar ieder individu een identiteit krijgt: een volgnummer, een nummer van het konijnenhok en het compartiment. Bij de beschrijving vermelden we de kleur, of het dier wit, zwart of witachtig is en vanwaar het komt. Dit laatste is van belang voor de nieuwe dieren die we kopen. Ik moest iedere keer noteren welk konijnenpaar ik bij elkaar zette. Zo kon ik inteelt vermijden. Ik volgde dus goed de stamboom op.

Ikzelf leerde het konijn kennen tijdens de lessen natuurkennis in het derde jaar van de lagere school. Daar zag ik voor het eerst een foto van een konijn in een boek "Deze prachtige wereld". Ik at voor het eerst konijn bij Project L.U.C. Ik vond dat lekker vlees. Weinig mensen in Kisangani kenden konijn.

Nu moest ik deze bron van dierlijke proteïne vulgariseren. Het begin was in de universiteit zelf, daar waar ik werk bij mijn collega’s, de assistenten en de professoren, op bijeenkomsten. Bij voorbeeld bij de deliberaties op het einde van het academiejaar bood het project een hapje aan, wat konijn, om te eten bij het delibereren van de eerste zittijd. Dan werd er verteld hoe ze als kind op het internaat bij de priesters zo’n vlees aten, terwijl anderen zegden dat het de eerste keer was. Sommigen wisten dat dit vlees veel van de smaak van kip had. En iedereen wist wel dat het lekker was. Eén stond er recht en vertelde al lachende "Ik heb L.U.C. gegeten!". Iedereen aan het lachen… Maar op het einde van de deliberatie zijn er velen van de universiteit komen vragen hoe ze konijn konden kopen. Maar ook anderen kwamen, studenten, gepensioneerde militairen enz. Zij kochten een konijnenpaar om te kweken. We legden hen uit hoe ze dat moesten aanpakken. Meer dan één paar namen ze niet, want ze hebben niet veel plaats.

Nu wordt er al veel konijn gekweekt in Kisangani en dit dank zij Project L.U.C. Deze kwekers zeggen dat zij de "konijnenmarkt" in hun wijk in handen hebben. Dat is goed voor de Faculteit en bewijst dat de Faculteit nog altijd de geest en het besef van de waarde van goed werk heeft behouden, waarden die de Belgen hebben gegeven aan de Faculteit Wetenschappen van de Universiteit van Kisangani.

Dank aan dit project, want zelfs de kinderen verkiezen konijn boven kip, zoals de familie van Monica zei op een kerstmaaltijd "Papa, konijn dat is lekker!"

** Het L.U.C. project was een VLIR project van 1997 tot 2002. Onder die naam was het in de hele stad gekend en daarom wordt die naam sindsdien verder gebruikt.