Kisangani vzw

De visteelt

November 2002

Bij de visteelt komen er drie belangrijke elementen aan bod : het water, de vis en de mens. De gewone mens in Kisangani, vooral de visser en zeker de "Genia" of de "Lokele", vraagt zich af waarom er vis moet worden geteeld, vermits :

  • er vis zit in de stroom, in de rivier, in de beek enz.;
  • het volstaat om een net, vishaak, werpnet of schepnet te nemen en het in het water te leggen en vis te vangen zoveel ge wilt;
  • of nog het eenvoudigste, gewoon vis te kopen op de markt bij de eerste de beste visser…enz.

Op al die bemerkingen is het niet eenvoudig een antwoord te geven in het Afrikaans milieu. In hun ogen is het niets anders dan een afwijking die overgeërfd is van de kolonisatie en dus een afdwaling betekent van de traditie die gebonden is aan pluk en visvangst.

Geschiedenis van de visteelt

Volgens de schrijvers, zou de visteelt in China zijn ontstaan ten tijde van de Sjang Yin dynastie rond 1197 vóór Christus. Zij zou voornamelijk zijn ontwikkeld als een kleinschalige plattelandsactiviteit, geïntegreerd in de bestaande teelt- en verbouwingssystemen. Zij kwam voor bij familiebedrijven vooral voor eigen gebruik.

Nochtans laten sommige bijbelverhalen vermoeden dat de visteelt reeds werd toegepast in bepaalde Afrikaanse landen sinds heel lang, ondermeer in Egypte reeds voor 2.500 vóór Christus, dus wel een duizend jaar voor haar ontwikkeling in China.

Gedurende de vorige eeuw werd ze in Afrika heringevoerd in de loop van de kolonisatie, zoals de pogingen om Tilapia te kweken in Kenia (1924) en in Belgisch Kongo (1937). De visteelt werd grootschalig ingevoerd op het platteland vanuit experimentele centra en met demonstraties die begeleid werden door een vulgarisatienetwerk voor de inlandse bevolking. Zo kon men vele viskwekerijen vinden om de boeren aan te moedigen. In Belgisch Kongo waren er Hoofdcentra voor pootvis zoals in Katanga, of in de Kasaï, of Secundaire Centra zoals in de Oost-Provincie, in Kisangani, vooral te Ngene Ngene of nog in de Uele.

Tijdens de jaren 60 waren er meer dan 300.000 visvijvers in verschillende Afrikaanse landen. Deze waren meestal bezet met Tilapia. Kongo liep helemaal niet achterop met de visteelt in Neder-Kongo (Mbanza-Ngungu), in Katanga (Lubumbashi), in de Oostprovincie (Kisangani te Ngene Ngene), in de Uele enz.

Het visteeltstation te Kisangani, dat ons aanbelangt, werd in 1953 opgericht door het Ministerie van Landbouw van Kongo en Ruanda-Urundi. De hoofdbedoeling was pootvis te verschaffen aan de boeren, die naast voedingsteelten ook visteelt beoefenden. Er werd Tilapia geteeld.

Waarom visteelt?

Vijf fundamentele redenen rechtvaardigen deze teelt die nog weinig gekend is bij de bevolking:

  • bijdrage van dierlijk eiwit in de voeding;
  • vis ter beschikking stellen van de mensen, en bovendien een wel bepaald type van vis;
  • op gelijk welk ogenblik, in gelijk welke hoeveelheid en kwaliteit kan de oogst plaatsvinden, zoals de afnemer het verkiest;
  • een mechanisme scheppen om het eigen inkomen aan te vullen;
  • de terreinen, die niet voor landbouw geschikt zijn, rendabel maken.

Het past hier inderdaad de opbrengst van de visvangst en van de visteelt, die in vele ontwikkelingslanden beoefend worden, even te vergelijken. De jaarlijkse opbrengst per oppervlakte-eenheid ligt in de orde van 150 kg/ha/jaar voor de visvangst; bij de visteelt ligt die in de orde van 1500 kg tot 3300 kg/ha/jaar en bij de veeteelt is de opbrengst van 200 tot 300 kg vlees/ha/jaar.

Bij de meeste landbouwers ligt het rendement te laag om aan hun behoefte te voldoen, vermits de behoefte aan dierlijk eiwit voor een persoon van 65 kg aan 25 à 30 kg vlees of vis per jaar ligt.

Gezien de huidige crisis die Kongo kent, is het nodig de middelen aan te wenden, die de mens in zijn omgeving kan laten overleven : daarom leren we visteelt aan. Die visteelt is vandaag in Kisangani goed ingeburgerd dank zij het LUC project en het rijst- en visteeltproject van de Rotary in samenwerking met de "Vrienden uit België", waarover we zullen spreken in een volgend nummer van Boyoma. Dit nieuwsblad biedt een enige kans om onze verschillende verwezenlijkingen in Kisangani voor te stellen aan een geïnteresseerd publiek.

Dank zij het LUC-project en het initiatief van elk van ons hebben we in 1999 een enquête gehouden waarover we fier mogen zijn.

Er werd vastgesteld dat:

  1. er een vermeerdering in aantal visvijvers en vistelers was, in de orde van respectievelijk 250% en 129%, met 1990 als referentiejaar.
  2. het lage rendement van gemiddeld 263 kg/ha/jaar bij de boeren, naar 950 kg/ha/jaar is gegaan dank zij onze omkadering. In onze eigen vijvers te Ngene Ngene en in de vallei van Djubu Djubu halen we een productie van ongeveer 2100 kg/ha/jaar. Deze productie is gestegen dank zij het bemesten van de vijvers met dierlijke afvalproducten en ander organisch materiaal. We gebruiken ook ’mirakel’ producten zoals Azola, een wier, en de bladeren van peulgewassen en van maniok. Ook de afvalproducten van palmnoten, ’mankavus’, en afval van gerote maniok zijn belangrijk.

De visteelt te Ngene Ngene

Dit station werd opgericht in 1953 en bedroeg 7 ha, waarvan nu 5 ha in gebruik zijn:

  • 1,3 ha water, met een geschatte opbrengst van 2500 kg/ha/jaar;
  • 2 ha culturen met bijhorende kweekdieren: een 50-tal eenden, 15 varkens en een 20 hennen.
  • 2 ha bijbehorende teelten: ananas en fruitbomen zoals de Treculia (mirakelboom met eiwitrijke zaden), palmbomen (var. Yangambiensis), avocado en banaan.

Er zijn in totaal 20 vijvers, waarvan 7 vijvers voor kuitvis, 2 vijvers voor kweekvis, 5 voor pootvis, 4 voor groei en 2 vijvers voor de productie. De twee grootste vijvers 16 are en tweede 83 are, samen dus 1,3 ha. De grootste was vroeger 67 are groot, maar dit werd 83 are omdat een dijk van 4 m breed en 86 m lang werd verplaatst. Om overstroming te vermijden werd een afvoerkanaal gegraven van 125 m lang, 2 m breed en 4 m diep. Dit kanaal vertrekt van de afdamming en kan het waterpeil regelen tijdens de vele regens.

Vandaag kan de visteelt van Ngene Ngene jaarlijks 2000 kg vis op de markt van Kisangani brengen. Vele duizenden pootvissen worden geleverd aan zo’n 184 vistelers die we omkaderen. Dit alles gebeurt ook met mensen die zelf produceren en ook vulgariserend werken, onder andere Déchaux, Ndobani, Eboma, Nyongombe, Mambhabu…zij steunen ons bij de verschillende activiteiten langs de voornaamste assen tussen Kisangani en de randgemeenten.