Kisangani vzw

Congo nog niet uit de problemen

Augustus 2002

Reisverslag Goma - Kisangani - Goma - Bukavu

Dit verhaal begint in Kisangani, het doel van onze reis. Het is 14 augustus, het regent, een tropenregen. Het kleine droge seizoen is voorbij. Wij zijn hier 2 weken geleden toegekomen. Wij, dat wil zeggen Greet, Walter, Kris, Hugo en ik. Ieder kwam om zijn eigen redenen, maar allen zijn gekomen uit liefde voor dit onmetelijke land, voor dit vriendelijke volk, voor deze "ville martyre".

Vroeger in de jaren tachtig hebben Hugo en ik hier gewoond. Ook toen was de armoede onder de bevolking al groot. De economie ging bergafwaarts. Toen werd al gezegd: het kan niet slechter gaan. Maar wanbeleid en oorlog maken dat het land economisch helemaal aan de grond zit. Hier in Kisangani is de situatie ellendig : de stad zit in een wurggreep tussen de machtsgroepen van het verdeelde Congo. Vroeger kwam de bevoorrading per vrachtschip vanuit Kinshasa via de Congostroom: het ging dan om bouwmaterialen, brandstof, enz… Vanuit het binnenland voerden vrachtwagens voedingsgewassen, wild, vee en basisproducten voor de industrie, zoals katoen, aan. Nu is de stroom afgesloten, zijn de wegen grotendeels onberijdbaar en in ieder geval ook afgesloten door militairen. Er is dus geen uitvoer en afgewerkte producten uit de textielfabriek, de brouwerij of de zeepfabriek kunnen niet geëxporteerd worden. De gevolgen voor de bevolking van zowat 750.000 inwoners zijn enorm. Het aantal inwoners was vroeger veel kleiner. Door de onveiligheid in het binnenland zijn veel mensen naar de stad gekomen, in de hoop daar veiliger te leven en ook werk te vinden. Velen hebben geen werk en sleuren in hun armoede een heel deel van hun familie mee. Veel gezinnen eten maar om de 2 dagen. Het voedsel dat ze dan gebruiken is wat voedingskwaliteit betreft ontoereikend. Misschien zijn de buiken dan wel vol maar enkel met maniok, dat weinig voedingswaarde heeft.

Veel vrouwen proberen zelf hun problemen op te lossen: ze vormen groepen, werken samen om velden aan te leggen, vijvers te graven, huishoudelijke problemen op te lossen. Samen verwerken ze olie tot zeep, bakken ze wafels of vormen ze naai- en breigroepen. Hun productie is gedeeltelijk voor eigen verbruik en gedeeltelijk voor de verkoop. Zo dragen ze bij tot het gezinsinkomen. Veel families hebben wat kippen of eenden rond hun huis lopen: niet om zelf op te eten, wel om te verkopen als er bij voorbeeld een kind ziek is, of er schoolgeld moet betaald worden en de gezinsinkomsten weer eens ontoereikend zijn.

Maar ik schreef eigenlijk Goma-Kisangani-Goma-Bukavu.

We vlogen op 27 juli van Brussel naar Kigali. De volgende dag reisden we met een 4x4 naar Goma. Cleon, die ons had afgehaald en nu ook weer al onze formaliteiten regelde, zorgde dat we zonder problemen de grens overstaken en zo Goma binnenreden.

Goma: de Nyiragongo spuwde een half jaar geleden lava uit over de stad. Het is droog seizoen; de bergen en de vulkanen zijn gehuld in een waas van stof en mist. De Nyiragongo is nauwelijks te zien. "Il a honte de ce qu’il a fait" zegt onze vriend Cleon (hij is beschaamd voor wat hij aangericht heeft). Er is reden toe. Een groot deel van de stad is weggeveegd: de roodgloeiende lava, nu zwarte steenmassa’s, hebben de gebouwen platgebrand tot puinhopen van steen en ijzeren gewrochten. Karkassen van auto’s en vrachtwagens steken tussen de lava uit. Het is een hallucinant zicht.

Maar intussen wordt er, ondanks de schijnbare uitzichtloze toestand, aan de heropbouw gewerkt. Resten van muren worden afgebroken, gezameld en versleept. Vrouwen dragen steenvrachten naar bouwplaatsen van nieuwe huizen. Ze verdienen hier hun dagloon : een halve euro! Deze vrouwen zijn dikwijls zelf slachtoffer van de vulkaan. Ze wonen in een hut van bladeren met plastic overspannen. De hut is groot genoeg of beter klein genoeg om dicht tegen elkaar liggend te kunnen slapen. Hulporganisaties zijn er, maar de nood is te groot en een ‘rampenfonds’ bestaat er in Congo niet.

Een hele dag reden en liepen we rond tussen de steenmassa’s. We liepen langs diepe kloven waar de warme dampen nog altijd uit opstijgen. Geen televisiebeelden, geen foto’s kunnen tonen wat daar gebeurd is. Het is onwerkelijk, hallucinant, maar harde realiteit.

In Goma ontmoeten we vele oud-studenten van Hugo. Zij werken voor grote bedrijven zoals Pharmakina, in universitaire instellingen, voor natuurbehoud (het Virungapark, de gorilla’s in het vulkaangebied en in de Kahuzi-bergen bij Bukavu) en worden gefinancierd door bijvoorbeeld het WWF.

De volgende dag zouden we naar Kisangani vliegen. De luchthaven van Goma zit half onder de lava. We stappen in de Antonov 12. Er zijn 9 zitplaatsen waar wij en enkele andere geprivilegieerden plaatsnemen.De rest van de passagiers zit in de laadruimte : enkel voor het opstijgen. Eens in de lucht mogen ze in onze cabine waar we dan met zijn twintig zitten. De rest hurkt op kleine krukjes of hangt wel ergens tussen. Maar we vliegen. Een uur later landen we in Kisangani : de bemanning zet dit stokoude vliegtuig met een perfecte landing aan de grond.

Daar staan ze ons op te wachten: de hele groep professoren en assistenten Biologie van de Faculteit Wetenschappen, ze zijn voltallig. Met Pick-up en moto’s gaat de tocht naar de stad.

Blij en dankbaar zijn deze mensen dat hun ‘doyen’ Hugo niet alleen is gekomen, maar enkele vrienden heeft meegebracht. Mensen die willen komen naar Kisangani en oog hebben voor hun problemen, hun verlangens, mensen die willen weten hoe deze projecten functioneren.

Kisangani: de velden, vijvers, kippenstallen, de konijnen- en rietrattenkweek, het gaat er goed mee. Sinds vorig jaar is ook de varkenskweek opgestart. De varkens zijn gehuisvest in hokken die goed onderhouden worden. De kweek gaat goed en de dieren kosten niet veel aan voeding, gezien varkens nu eenmaal allesvreters zijn.

We hebben alles bekeken : de ananasvelden, de bananenplantages, de groentekweek, de rijstvelden, de Treculia-bomen. We hebben de kippen zien scharrelen, de eenden bij de vijvers gezien, de vissen in die vijvers, de konijnen en de rietratten, de knorrende varkens.

We hebben genoten van de tocht met de prauw op de Congo-stroom.

Zoals echte toeristen zijn we de watervallen gaan bekijken. Eerst en vooral de Stanleyfalls. Het is daar dat de Wageniavissers hun grote staketsels bouwen. Ze hangen er fuiken aan die ze bedienen van op de staketsels. Ze halen waaghalzige toeren uit om de fuiken in het water neer te laten en ze weer op te trekken. De Wagenia zijn een trots volk en handige verkopers. Voor geld kunt ge met hun chef spreken, voor geld brengen ze u naar het eiland van Tippo-Tip (de Arabische heerser ten tijde van Stanley). Ze proberen u een vis te versjacheren voor het dubbele van zijn waarde.

De watervallen van de Tshopo leveren het water voor de elektriciteitscentrale. Deze centrale is oud en versleten. Dank zij inspanningen van het Belgische DGIS en het Internationale Rode Kruis is één van de drie turbines nu hersteld. Er zou nog een turbine hersteld worden. Voor Kisangani is dit belangrijk. De watervoorziening van de stad werkt met elektriciteit: het zuiveringsstation, het oppompen van het water. Dus zonder elektriciteit geen water, en de bevolking is te groot om het enkel te stellen met artisanale waterputten.

En dan zijn er nog de watervallen van de Amunyala. Op 40 km ten oosten van de stad richting Lubutu loopt het riviertje Amunyala. Op dit riviertje liggen twee watervallen. Om er te geraken is het twee uur stappen van de weg, door de velden en het woud. Midden in het woud hoort ge het water ruisen en ziet ge het water naar beneden storten langs een rosbruine laterietrots in trappen, een 15 meter hoog. Verderop ligt dan de tweede waterval. Het is een prachtig zicht, bij weinigen bekend.

Drie weken later het is dan 21 augustus. We vliegen terug naar Goma, naar de lava, het stof. Dat zwarte stof dringt onze keel binnen. De Gomezen hier hebben zeker allemaal stoflongen. Pas als het regenseizoen begint gaat dat stof liggen en wordt de lucht weer zuiverder. Dat is overal in gebieden met een lang droog seizoen, maar ik kan me wel voorstellen dat dit fijne lavastof nog veel slechter is voor de longen dan het gewone aardestof dat elders opwaait.

Twee dagen later nemen we de boot naar Bukavu. We hebben beslist dit ‘luxeschip’ te nemen om naar Bukavu te varen. De weg die langs het meer kronkelt is slecht en heel vermoeiend. Op de boot is wat ruimte, er valt iets te eten en te drinken, het weer is goed. We varen tussen de eilanden door en leggen aan in Bukavu. Ook daar weer de formaliteiten. Telkens we met een vliegtuig vertrekken of landen, of met de boot vertrekken of aanleggen, zijn er weer formaliteiten alsof we een landsgrens oversteken.

In Bukavu zijn weer andere problemen: de stad ligt geprangd tussen de bergen en het Kivumeer. Ook hier zijn vele mensen uit het binnenland naar de stad gekomen op zoek naar veiligheid en overlevingskansen. Overal zijn er huizen en hutten bijgebouwd. De schiereilanden zijn volgebouwd, de hellingen zijn volgebouwd. De erosie op deze hellingen is enorm omdat al wat boom en struik is, weggekapt werd. Op vele plaatsen storten regelmatig hele huizen in, meegesleurd door grondverzakkingen op deze hellingen. Waar dit vroeger een groene stad was, ziet ge nu van op de bergen rond de stad in de diepte aan het meer een rosbruine laterietvlek liggen bezaaid met huizen. Ook hier is de armoede enorm. De stad kan haar bevolking niet voeden, en de mensen kunnen niet terug naar het binnenland wegens de onveiligheid. Maar ook hier zijn er tekenen van hoop. De bevolking hoopt ook hier op vrede nu er akkoorden zijn getekend tussen de politici. Buitenlandse organisaties proberen ook hier iets te doen aan de levensomstandigheden. Er is het comité Anti-Bwaki (rurale ontwikkeling als hongerbestrijding) dat geholpen wordt door 11.11.11. In de bergen boven Bukavu is er een Kinderdorp dat door de Duitse Hermann Gmeiner Stiftung opgericht is en gefinancierd wordt, maar dat volledig door plaatselijke leiding bestuurd wordt. Dit kinderdorp huisvest wezen en verlaten kinderen. Ze wonen in huizen in groepjes van een achttal kinderen begeleid door een volwassene. Ze krijgen les in een lagere school. De school is ingericht zoals onze Europese scholen met schoolbanken en lesmateriaal. De kinderen uit de omliggende dorpen zijn er ook welkom.

Ook hier ontmoeten we weer eens oud-studenten van Hugo. Zij werken hoofdzakelijk aan de verschillende universitaire instellingen in Bukavu of in de onderzoekscentra van Uvira en Lwiro. Hier wordt veel gesproken over de moord op Prof.Alphonse Byamungu. Deze man was een schitterend student aan de universiteit van Kisangani. Onmiddellijk na zijn studies kwam hij naar Leuven om bij Prof. E. Kühn te doctoreren. Daarna ging hij naar Bukavu als hoogleraar aan de Université Catholique de Bukavu. Hij was niet alleen een intelligent man maar daarenboven een beminnelijk man, met oog voor de problemen rondom hem. En die man is vermoord, 20 juli, niemand weet waarom, niemand weet door wie. Een gerechtelijk onderzoek is er niet. Wel werd aan de weduwe gevraagd haar man zo vlug mogelijk te begraven buiten de stad, in zijn geboortedorp. De autoriteiten vreesden problemen met de studenten. Dit alles wisten we al, maar hoorden we nu nog eens uitgebreid vertellen en becommentariëren.

Deze prachtige stad zou een idyllisch oord kunnen zijn, nu is het een stad vol armoede waar bendes en militairen de plak zwaaien.

We verlaten Bukavu om terug naar Kigali te reizen en daar het vliegtuig huiswaarts te nemen.