Kisangani vzw

Alisi (3)

Augustus 2003

[Nederlands] [français]

Het is wel vijf jaar geleden dat mijn vriend cineast, Jean, mij opbelde om te zeggen dat hij in Kisangani met zijn vrouw Carla een docudrama moest draaien. Hij vroeg of ik meeging om hem te assisteren daar ik de stad kende, er vele vrienden en kennissen had en de taal van de bevolking sprak. Zeventien jaar had ik met Magda in de Oostprovincie gewoond en gewerkt, waarvan de helft in Kisangani. Jean, zei ik, heel graag, maar je weet dat ik me dat financieel niet kan veroorloven. Geen probleem, was het antwoord, mijn organisatie betaalt de onkosten. Een maand later zaten we in Kisangani. Het was acht jaar geleden dat ik er met Magda afscheid nam om nadien in Burundi te werken. Ik voelde mij direct weer thuis. Alisi kwam voor ons koken en we hadden zeer veel te vertellen. Om 7 uur in de morgen waren we al op pad om te filmen. Maar om 6 u 30 stonden er mensen aan de deur waar we logeerden om mij te groeten en te bedanken met een kippetje, een ananas of een paar eieren omdat ze tien jaar geleden genezen werden van lepra of tuberculose. Nu nog worden mijn ogen vochtig als ik er aan denk. Voor mij zie ik Bosondi en Ambule met hun twee kindjes. Ze brachten mij een kip. Beiden waren genezen van melaatsheid. Hij had er een klauwhand aan overgehouden en zij had geen gevoel meer in haar rechtervoet. Ze hadden elkaar gevonden. Gelukkig namen de microben van de ziekte het gevoel van de liefde niet weg. Hun twee kinderen keken met ogen vol verlangen naar me op. De oudste, een jongen, hadden ze de naam Erik gegeven. Het meisje heette Magda. Ik kreeg kritiek (trouwens dagelijks) omdat Magda niet mee was. "Boni, tata Elike? Ezali malamu te. Mobikisi ya biso, mama Mada, azali wapi ?" "Hoe komt het toch, papa Erik? Het is niet goed he. Waar is mama Magda gebleven, onze geneesster?" Want haar wilden ze zeker danken! Plechtig heb ik moeten beloven dat ik met haar zou terugkomen.

Toen Alisi hoorde dat de kinderen onze naam droegen fluisterde ze me in het oor dat beleefdheid en traditie eisten dat ik de kinderen iets moest aanbieden. Magda had mijn valies volgepropt met allerlei mooie dingetjes om weg te schenken. Ik schonk hen een mooi rokje, sokjes, een broekje en een truitje. Het gezicht van die kinderen moest je zien. Ikzelf voelde me weer als kind in de jaren veertig. We hadden toen niets en op een dag gaf iemand mij een kleine bal cadeau. Wat een gevoel!

De volgende dagen vertelden er nog ouders dat hun kind Erik of Magda heette. Alisi kwam me wijselijk zeggen "ezali lokuta", ’t is gelogen.

Een gelukkig toeval was, dat Hugo en Manja in Kisangani vertoefden voor het project. Alisi kookte ook voor hen. Het waren moeilijke jaren geweest sinds 1990. De breuk tussen Zaïre en België had gezorgd voor een nog grotere economische crisis. Mobutu’s soldaten deden wat ze wilden en de bevolking was er het slachtoffer van. Buitenlandse hulp werd tot een minimum herleid en de meeste projecten waren ten dode opgeschreven, maar niet het project dat Hugo had opgestart aan de universiteit. Ik kon mijn ogen niet geloven: het project groeide… traag maar zeker. Treculiabomen zag ik staan in het gehandicaptencentrum van Pater Martien Konings, in het centrum voor ondervoede moeders en kinderen van de Braziliaanse zuster Leocadia en rond het staatsziekenhuis voor tuberculosepatiënten. Het aantal visvijvers was gestegen. Maar met welke inspanningen dit alles. Toen ik Hugo vroeg hoe het komt dat zijn project wel lukte, antwoordde hij: "omdat zij het doen en wij steunen… en het is niet mijn project maar het hunne… Ik inspireer, ik stimuleer, ik geef vorming, ik coördineer en zoek financiële middelen, maar zij doen het! Niet te vergeten: ik heb een schat van een partner die alles helpt mogelijk maken, dan mijn kinderen, vrienden en kennissen die er in geloven en steunen."

Alisi en Lufutu zeiden me dat ik met Magda moest terugkeren. We mochten hun nederige woning betrekken zonder huur te betalen. Maar, en hun stem klonk tropisch luid (dit wil zeggen dat vogels, kikkers en krekels zwegen), dan moet ge de vele mensen die ge in al die jaren genezen hebt, overtuigen om Treculia-bomen te planten en ook van die speciale bananenplanten die driedubbel opbrengen. “Oyoki, luister, papa Elike”, begon Lufutu, “als jij dat zegt aan uw mensen, dan zullen ze u geloven, want jij hebt hun leven gered. Naar de professoren van de universiteit luisteren uw zieken niet. Ik wel, want papa Igo (Hugo) is mijnen maat, hij heeft me zelfs een fiets gegeven.” Alisi doet er nog een schepje bij met aan te dringen dat ik moet zeggen dat iedereen zijn eigen visvijver moet graven. We verwachten u volgend jaar terug met Magda, proberen ze me te overtuigen. Alsof we maar de bus te nemen hebben.

Maar het zelfde jaar geeft president Kabila de Rwandese en Oegandese soldaten bevel naar hun land terug te keren. Dit bevel wordt genegeerd en er ontstaat in Kongo een nooit geziene chaos. Tussen Kisangani en Kinshasa is de verbinding verbroken. Geen vliegtuigen, geen boten. Ook het contact met het hinterland is nihil. Per vliegtuig komen allerlei waren aan uit Oeganda en Rwanda. Peperduur. Armoede troef.

Elk jaar komt Hugo tot tweemaal toe voor een maand naar Kisangani als stimulans voor het project. Chapeau! Intussen werd in België een vzw opgericht. De steun is hoopgevend.

Vredesbesprekingen hebben recent geleid tot een kentering. Er is weer verbinding tussen Kinshasa en Kisangani. Voor hoelang?

Maar bevoorrading van uit het hinterland is nog niet voor overmorgen. Intussen mogen de mensen niet bij de pakken blijven zitten. Het alternatief is een andere vorm van rurale ontwikkeling. Nog zeer veel mensen hebben er geen weet van hoe het moet. Magda en ik willen aan de kar duwen door de vele mensen die we er kennen aan te zetten contact te nemen met het project. Daarom hebben we besloten in januari 2004 naar ons geliefd Kisangani te gaan. We zullen diep in onze zak moeten schieten want Kisangani vzw, die maandelijks haar financiële verplichting aan het project heeft, kan dit niet ophoesten. Hier en daar zal iemand ons wel iets toestoppen.

Als een vuurtje zal in de stad het gerucht zich verspreiden dat we terug zijn. Tientallen mensen zullen ons opzoeken en iets aanbieden uit dankbaarheid. Ze zullen ons vertellen dat ze geen uurwerk hebben, geen schoenen, geen schoolgeld om het tweede trimester te betalen (dat vooral). Alisi zal nog beter koken omdat Magda er is en ze zullen elkanders kookkunsten verrijken. Haar kinderen en kleinkinderen zullen verlangen naar een cadeautje maar het niet durven vragen omdat Alisi hen goed heeft geleerd dat schooien niet hoort. We zullen er lachen en dansen en palmwijn drinken, maar ook delen in hun verdriet veroorzaakt door dood en vernieling die soldaten van alle slag er hebben gezaaid. We zullen onze volle koffers ledigen. Maar nog meer vriendschap zullen we terugkrijgen… Vele zieken zullen we troosten, melaatsen, tering en aids-lijders. Op hun vele vragen zullen we een antwoord van hoop geven… We zullen praten over onze familie en vrienden die onze valiezen en portemonnees mee hebben gevuld.

En zij zullen ons omhelzen en zeggen melesi, dank u.