Kisangani vzw

Akker-bosbouw project aan de universiteit van Kisangani

2007

De traditionele cyclische of rondtrekkende landbouw na ontbossing en verbranding, is nog steeds de voornaamste methode van voedselwinning in de tropische streken. Deze tijdelijke rotatie van teelten, afgewisseld met lange perioden (van 8 tot 10 jaar) van braakliggend land met herstelling van de bodemvruchtbaarheid door de natuurlijke vegetatie, die spontaan na de teelten ontstaat, garandeerde sinds vele generaties een stabiele voedselproductie in de meeste tropische gebieden.

Sinds de laatste decennia nochtans, door socio-economische redenen, voornamelijk demografische, is er een diepgaande verandering bezig van deze traditionele productiemethoden. De bevolking neemt toe, voornamelijk rond de invalswegen van en in de grote centra. Door zeer intens gebruik van de beschikbare gronden degradeert de bodem en evolueert naar savanne en steppe (sahelizering). Deze graslanden zijn verloren voor de landbouw, zelfs spontane natuurlijke vegetatie die de bodem zou kunnen herstellen, treedt niet meer op.

In tropisch Afrika is de jaarlijkse aangroei van de bevolking 3 %. De bevolking van Kongo overschrijdt nu reeds de 50 miljoen. Er blijft nauwelijks genoeg bebouwbare grond meer over die een traditionele rondtrekkende landbouw met lange braakliggende perioden mogelijk maken, zoals nu reeds het geval is in vele omliggende landen.

Om de toenemende voedselnood in de tropische streken te voldoen, zal steeds meer woud moeten omgehakt worden, zodat het tropische regenwoud in reëel gevaar komt in een niet zo ver afgelegen toekomst. De bosontginning voor de buitenlandse houtindustrie en voor het winnen van brandhout ten behoeve van de plaatselijke bevolking, verergert heel deze problematiek, al is ze dus niet de enige oorzaak van ontbossing.

De Afrikaanse boer verbrandt al het plantaardig materiaal, na afkap. Deze verassing verrijkt dan sneller de bodem en de teelten profiteren daar ook tijdelijk van. Door herhaalde verbranding echter worden al de micro-organismen, werkzaam in de bodem, gedood. De schors van alle bomen en struiken wordt vernietigd en veel materiaal verdwijnt ook door wind en regen. Al de bestanddelen oxideren, de bodem droogt oppervlakkig uit, wordt hard en brokkelig en bij de eerste regens treedt reeds erosie op.

Een moderne mechanische landbouw met kunstmeststoffen is op het ogenblik en in een nabije toekomst niet mogelijk om socio-economische redenen. Het FAO heeft inderdaad een dergelijk project uitgevoerd. Het transport van de kunstmeststoffen is praktisch onmogelijk gebleken. De hoofdwegen zijn in zeer slechte staat, de wegen naar het binnenland zijn ontoegankelijk. De kosten liggen hoog, geen enkele Afrikaanse boer kan dat betalen. Trouwens door de hevige regenval zou het merendeel van deze meststoffen weggespoeld worden en zo de rivieren eutrofiëren met alle nefaste gevolgen vandien.

Vandaar dat er naar andere oplossingen moet worden gezocht. Indien er niets aan gedaan wordt zullen we in tropisch Afrika naar dezelfde hopeloze toestand evolueren zoals nu in die landen ten zuiden van de Sahara.

Het is zo dat de gedachte gegroeid is om ook aan praktisch toegepast onderzoek te beginnen. Welke soorten zijn het best geschikt om de bodem te herstellen. Gelijkaardig onderzoek wordt gedaan door het Internationaal Instituut voor Tropische Landbouw in Ibadan, Nigeria. Het zijn de struikvormige peulgewassen met kleine blaadjes, uit de natuurlijke vegetatie, die het meest geschikt zijn om de bodem te herstellen. Hun wortels bevatten wortelknolletjes waarin bacteriën voorkomen, die de stikstof uit de lucht omzetten zodat die door de planten kan gebruikt worden, daar waar geen natuurlijke nitraten meer voorkomen in de bodem. Wanneer nu, door natuurlijke bladafval of door snoei, de bladeren op de grond terechtkomen, ontstaat er een rottingsproces, zodat dit ontbonden plantenmateriaal kan omgezet worden tot nitraten. Struiken met fijne blaadjes, met langdurige bloeiwijze, zijn dus aangewezen omdat de omzetting sneller kan gebeuren Dit is een bacterieel proces. Deze nitraten herstellen de bodemvruchtbaarheid.

Zo werd vroeger in onze streken groenbemesting met lupinen door onze boeren toegepast.

Een nieuwe landbouwmethode is zo ontwikkeld. De toepassing ervan ligt hierin dat deze bodemherstellende planten of struiken en zelfs bomen tegelijkertijd met de teelten worden gezaaid of geplant. In de praktijk worden de teelten in rijen van 4 meter breed gezaaid, afgewisseld door rijen of hagen van bodemherstellende peulgewassen. Deze groeien het hoogste uit na de oogst en worden gesnoeid na de nieuwe inzaai, zodat hun schaduw de teelten niet belemmerd. Tussendoorse snoei is eveneens aangeraden, zodat er steeds een strooisellaag met ontbinding aanwezig is.

Deze struikhagen vervullen dus verschillende functies:

  • Het snoeisel levert groenbemesting als strooisel
  • De struiken recycleren de minerale substanties door ze uit de bodem, met hun dieper gelegen wortels naar de oppervlakte te halen, waar ze later beschikbaar komen voor de teelten.
  • Het snoeisel levert strooisel, een bedekking van de bodem, dit belet erosie door hevige regenval; het belet ook het groeien van onkruid.
  • Deze bosbegroeing brengt gunstige voorwaarden voor de ontwikkeling van micro- en macro-organismen.
  • De overmaat aan snoei kan als voeding dienen voor vee en als brandhout, er mag zelfs gekapt worden: de meeste struiken en bomen zijn immers snelgroeiers. Ook kan dit snoeisel als leistokken dienen voor bonen en andere steunzoekende teelten.
  • In heuvel of bergland, kunnen deze hagen op hoogtelijnen geplant worden, ze dienen dan als anti-erosie elementen.

Als plantmateriaal voor de hagen worden volgende soorten gebruikt:

  • Struikhagen : Leucena leucocephala, Flemingia grahamiana, Cajanus cajan, Gliricida sepium, Tephrosia vogeli, Sesbania sesban.
  • Bomen : Albizia chinensis, Delonix regia, Acacia kirkii, Acacia barterii, Alchornia cordifolia, Dialium guineense, Coloncoba submentosa

Als teeltgewassen worden dezelfde gekozen als deze door de bevolking gebruikt : maniok, maïs, rijst, arachiden, zoete aardappelen enz.

Op verarmde gronden, voornamelijk grasland, is het niet mogelijk dadelijk met teelten te beginnen. Daar worden dus enkel rijen bodemherstellende planten geplant, eveneens enkele rijen bomen. Na meerdere jaren, afhankelijk van de verarming, zou dan eveneens met landbouw kunnen begonnen worden, zoals hierboven beschreven. Een herbebossen met snelgroeiende leguminozen, heeft het voordeel dat de grond terug aangerijkt wordt en dat de bevolking na enkele jaren terug brandhout heeft. Dit brandhout dat als houtskool naar de stad vervoerd wordt, op de rug, op de fiets of per vrachtwagen is ook een van de grote oorzaken van ontbossing rond de centra. Na zulk een ontbossing wordt er nooit opnieuw geplant, de gronden worden gewoon aan hun lot overgelaten en dan duurt het lang, zeer lang eer er terug bosbegroeiing komt.

Het traditionele systeem met zwerf of cyclische landbouw op brandakkers behoeft minstens 3 jaar rust per teeltjaar (4 jaar bebouwing met 12 jaar rust bvb). Het nieuwe systeem, met voedingsteelten in rijen tussen hagen van bodemherstellende peulgewassen, behoeft slechts 1 jaar rust per teeltjaar. Ook blijven de velden ter plaatse en vermits de hagen ook blijvend zijn en er enkel gesnoeid dient te worden, zal de Afrikaanse boer ook de neiging verliezen om steeds maar alles plat te branden. Het is dus duidelijk dat deze nieuwe methoden de ontbossing sterk kan verminderen.

De bedoeling van het project, is nu, om deze nieuwe methoden te doen ingang vinden bij de bevolking. De mensen zijn sterk traditioneel, zij zullen dus zomaar niet de nieuwe manier van werken aannemen. Daarom wilden we op verschillende plaatsen met groepen werken: in Masako, bij de proefvelden, waar de dorpelingen reeds verschillende jaren met de mensen van de Faculteit werken; ook in Ngene Ngene bij het visteeltstation en in Simi Simi op 12 km ten westen van de stad, waar de Universiteit een terrein ter beschikking heeft van 70 ha.

Deze nieuwe methode zal slechts na enige jaren van demonstratie kunnen overgenomen worden door de bevolking, en zo zouden we ook de actieve medewerking van de plaatselijke autoriteiten kunnen bekomen. Het gaat om een globale aanpak, die een zekere mentaliteitsverandering en bewustwording moet bewerkstelligen. Het gaat dus niet om een klein project, beperkt in ruimte en tijd.